Bernardo

Toen het te kil werd buiten, stond hij op en liep achter zijn schaduw aan naar de schuur. De zomer was in aantocht, maar na zonsondergang bleek het op het land vaak nog koud. Hij hakte het hout voor de avond. Zijn rieten mand aan de ene arm, polste hij met de andere de achterdeurklink. Hij kon erin… Het was als bij een oude man: alleen achtergebleven is hij in zijn huis een halve vreemde, en vreest hij de schemering. Was de overleden Alfred in Bernardo’s nabijheid gebleven, vroegere vrienden die nog leefden ontmoette hij amper meer; personen die tot herinneringen waren geworden die als vliegen door zijn hoofd dansten. Binnen liep hij met de mand vol eikenblokken het trapje naar de woonverdieping op. In de keuken hield hij stil, door het raam zag hij hoe de zon als een overrijpe sinaasappel wegkwijnde achter de dichtstbijzijnde heuvel. Een schouwspel dat zijn nabloei uitbeeldde?

- 239 -